Technisch concept van Mat '24

Draaistellen

Tractiemotoren

Tractiemotoren

Tractieregeling

Verwarming en verlichting

 

 

Technisch concept van Mat '24

 

De rijtuigen van het Blokkendoosmaterieel zijn opgebouwd uit een geklonken stalen geraamte waar de stalen plaat panelen tegenaan zijn geklonken. De stijlen van het geraamte zijn zeer zwaar uitgevoerd en aan de onderzijde aan het onderstel geklonken. Aan de bovenzijde zijn de geraamten van de zijwanden met ronde profielen verbonden. Deze dienen weer als dragers van het houten dak. Het onderstel is opgebouwd uit in elkaar geklonken U-profielen en H-profielen, waarbij de U-vormige stel balken met het lijf naar de buitenzijde zijn gekeerd. Daarmee werd een draagbalk met een glad buitenaanzicht verkregen, het plaatwerk reikte namelijk tot de ligger en dekte deze niet af zoals bij later ontworpen materieel. Aan de liggers aan voor- en achterzijde waren de buffers bevestigd. Bij de eerste exemplaren waren dat korfbuffers, later zijn deze vervangen door de algemeen toegepaste ringveerbuffers. De buffers waren middels een verenigde stootinrichting met een zware bladveer verbonden. Daarmee werd bereikt dat er in bogen steeds buffer aan buffer gereden kon worden, hetgeen de rustige loop van de rijtuigen bevorderde. Bij de tussenrijtuigen waren de trekhaken onderling verbonden met een trekstang en een trekwerkkast (trekveer). De motorrijtuigen hadden geen doorgaand trek werk. In dat geval was de trekhaak verend aan de achterzijde van de bufferbalk bevestigd. Het pijpwerk en de bekabeling was in het onderstel aangebracht.

 

top 

Draaistellen

 

Van origine waren voor het Blokkendoosmaterieel Pennsylvania-draaistellen toegepast, waarbij het draaistel frame met schroefveren op een gebogen draagjuk was afgeveerd. Bij het Pennsylvania- of zwanehalsdraaistel ligt het draagjuk bovenop de aspotten. In de praktijk bleken de schroefveren van deze draaistellen sterk door te zakken. Met de toepassing van vierkant stalen veren werd een stuggere vering verkregen. De rijtuigbak rustte bij deze draaistellen op een wiegbalk die aan weerszijden via drie naast elkaar gemonteerde volelliptische bladveren aan het draaistelframe was opgehangen. Met de komst van het in 1931 voor de Noordhollandse lijnen gebouwde materieel werden andere draaistellen toegepast. De draagjukken werden niet meer aan de bovenzijde, maar aan de onderzijde van de aspotten bevestigd. Dit maakte de kans op breuken in het draagjuk kleiner en liet bovendien meer ruimte voor de primaire vering, die in principe gelijk bleef. Voor de nieuwe, sinds 1931 gebouwde loopdraaistellen (type V) werden tonnenlagers van SKF gebruikt. Deze lagers bleken zeer goed bestand tegen de retourstroom via de aspotten en de wielen naar de rails. De NS besloot daarom in 1936 ook het overige Blokkendoosmaterieel, dat met glijlageraspotten was uitgevoerd, alsnog van rollageraspotten te voorzien. Hierbij moet worden opgemerkt dat normale kogellagers vanwege het kleine contactvlak niet tegen een zekere stroomloop zijn bestand. Vandaar dat men in het verleden voor elektrisch materieel bij voorkeur glijlageraspotten gebruikte, ofschoon deze bij het verwaarlozen van de smering snel warm lopen. Remwerk Voor de beremming was het Blokkendoosmaterieel uitgevoerd met de Westinghouse-snelrem. Ten opzichte van de gewone Westinghouse-rem heeft de Westinghouse-snelrem een snelwerkende tripleklep waarmee bij een snelremming, met een grote drukvermindering in de treinleiding, ook luchtdruk van de treinleiding in de remcilinders stroomt en niet alleen uit de hulpreservoirs. Om een grotere remdruk te bewerkstelligen was het remwerk, sinds de bestelling van 1924, voorzien van een tweede remcilinder. Bovendien werd door de Westinghouse-snelrem automatisch de remdruk beneden 45 km/h verlaagd, omdat bij lagere snelheden de wrijvingsweerstand tussen remblok en wiel toeneemt, waardoor het gevaar optreedt dat de wielen blokkeren en het treinstel doorglijdt. Om dat te voorkomen was er aan de kopbalk van ieder draaistel een remdrukregelaar aangebracht. De hulpreservoirs, remcilinders en tripleklep waren bij Mat '24 onder het midden van de rijtuigen aangebracht. Bij de sinds 1931 gebouwde rijtuigen werd het complete remwerk afzonderlijk in ieder draaistel gebouwd, met per draaistel twee remcilinders, die zich bij de motorrijtuigen aan de buitenzijde van het draaistel bevonden. Door het complete remwerk in het draaistel te monteren konden de lange remwerkstangen vervallen. Met een rubberslang was het rem werk in de draaistellen met de treinleiding verbonden. Het materieel van 193 I en 1932 kreeg in plaats van de Westinghouse-snelrem de hogedruk Knorrsnelrem. De luchtdruk voor de remmen werd verkregen van de automatisch geregelde compressoren, die onder de motorrijtuigen waren opgehangen. De luchtdruk werd opgeslagen in hoofdreservoirs, die zich eveneens onder de motorrijtuigen bevonden. Ofschoon het remsysteem van het overige materieel normaal met 5 bar in de treinleiding werkte, werd de treinleidingdruk bij de Blokkendozen tot 4,5 bar beperkt. Hiermee beoogde men de kans op vaste remmen en doorglijden te ver-

 

top  

 

Tractiemotoren

 

De tractiemotoren van Mat '24, zoals toegepast in de motorrijtuigen mABD, mBD, mB4D, mC en mCd, waren van het type TM 8 dat door Westinghouse is ontwikkeld. Deze motoren werden in Nederland onder licentie kleinen. Dit bracht met zich mee dat ook de remdruk iets lager was. Daarentegen kwamen de triplekleppen sneller in de losstand, omdat het verschil tussen treinleidingdruk en hoofdreservoirdruk (tot 7,5 bar) tijdens de vulstoot met de remkraan relatief groter was. Om een gelijkmatige werking van de remmen te verkrijgen werd de maximum treinlengte tot 12 rijtuigen beperkt. Een verbetering van het remwerk was de toepassing van automatische remverstellers van SAR. Hiermee werd de afstand tussen de aan slijtage onderhevige remblokken en de wielen automatisch constant gehouden, zodat de rijtuigen steeds een ongeveer gelijkblijvende remkracht leverden. Automatische SAB-remverstellers zijn alleen bij de tussenrijtuigen toegepast. Bij de motorrijtuigen moest de afstand tussen de remblokken en de wielen nu en dan handmatig worden versteld.

 

top 

 

Tractiemotoren

 

De tractiemotoren van mat24. zoals toegepast in de motorrijtuigen mABD, mBD, mB4D, mC en mCd, waren van het type TM8 dat door westinghouse is ontwikkelld. Deze motorn werden in Nederland onder licentie door Heemaf gebouwd, in een totaal van 346 stuks. Bovendien leverde Metropolitan Vickers Ltd 204 tractiemotoren en de Electrotechnische Industrie W. Smit & Co 90 stuks. Het proef treinstel dat door Werkspoor was gebouwd was voorzien van een elektrische uitrusting en tractiemotoren van Westinghouse uit Amerika. Het proef treinstel van Beijnes had een elektrische installatie en tractiemotoren van Vickers. Heemaf motoren werden voor het eerst toegepast bij de reserve motorwagen mBD 9002, terwijl Beijnes voor de eveneens als reserve dienende mC 9003 een Vickers-installatie koppelde aan tractiemotoren van SSW. Van de motoren van SSW liepen de ankerassen in rollagers, in tegenstelling tot de andere, die in glijlagers liepen. Ook Smit heeft voor de mC 9035-9037 motoren met rollagers geleverd. In 1931 werd definitief overgegaan tot de toepassing van tractiemotoren met rollagers, waarvan Heemaf er 168 leverde voor de mBD 9029 en 9030, de mC 9038, de mCd 9424, de "Alkmaarse" rijtuigen mB4D 9151-9161 (later mCD 91519160) en mCd 9443-9447. Het is nog wel eens voorgekomen dat tractiemotoren met exemplaren uit de reservevoorraad werden gewisseld. Zo werd nog tijdens de oorlog begonnen met het overzetten van 40 overgebleven Smit-motoren in het oude buffermaterieel van de ZHESM. Tijdens de oorlog was veel materiaal verloren gegaan en was een tekort aan (reserve)motoren ontstaan, in het bijzonder omdat de Duitsers de magazijnen en de werkplaatsen hadden leeggeroofd. De NS besloot daarom in 1948 tot de aanschaf van nog eens 20 tractiemotoren type TM 8 met rollagers. Ter vervanging van oudere motoren werden nadien nog eens 56 tractiemotoren bijbesteld, maar die waren van het nieuwe type TM 711 van 194 kW (uurvermogen) welke ook in Mat '40 werden toegepast. Het type TM 8 heeft daarentegen een uurvermogen van 165 kW en 132 kW continu, gerekend bij een aangelegde spanning van 675 V. Dat is de helft van een met 10% gedaalde bovenleidingspanning. Omdat de motoren per twee continu in serie geschakeld waren, kregen deze namelijk slechts de halve bovenleidingspanning toegevoerd. De gebruikte tractiemotoren waren zelfventilerende gelijkstroom seriemotoren, waarvan, zoals uit de naam blijkt, de anker- en veldwikkelingen in serie zijn geschakeld. Dit type motor heeft bij de NS steeds de voorkeur gehad boven de shuntmotor, welke aan een constant aantal omwentelingen van de ankeras is gebonden. De seriemotor is daarentegen beter in staat verschillende toerentallen te draaien, waarbij het opgenomen vermogen vrijwel constant blijft. Bovendien is de seriemotor goed regelbaar en heeft een groot aanzetkoppel. Een nadeel van de seriemotor is dat deze niet onbelast mag draaien, omdat de seriemotor dan een ontoelaatbaar hoog toerental gaat ontwikkelen. Bij het gebruik in treinstellen en locomotieven is de seriemotor constant aan de wielas gekoppeld en zou er enkel bij slip (doorslaan van de wielen) gevaar zijn voor

een steeds hoger wordend motortoerental. Ter voorkoming van slip en om een gelijkmatige aanzet te verkrijgen mogen de tractiemotoren nooit direct op de volle bovenleidingspanning worden aangesloten, maar via een weerstand of een elektronische schakeling met halfgeleiders. Gedurende een korte tijd kan de seriemotor worden overbelast. Vandaar dat er wordt gesproken van uurvermogen en continuvermogen. De tractiemotoren type TM 8 zijn bij Mat '24 volgens de zogenaamde tramophanging in het draaistel ingebouwd (zie bij ZHESM-materieel).

 

top 

Tractieregeling

 

Voor de regeling van de tractiestroom moet bij Mat '24 onderscheid worden gemaakt tussen de treinstellen met een elektrische installatie van Heemaf/Westinghouse en die van Vickers. De laatste is veelvuldig in de rijtuigen van Beijnes toegepast. Het belangrijkste verschil tussen beide installaties is de volgordewals, die bij de Vickers-installatie ontbreekt. Bij de tractieregeling van Vickers bekrachtigt de stuurstroom, via de contacten van het begrenzingsrelais, direct de magneetspoelen van de rijschakelaars. De regeling door middel van stuurstroom wordt ook wel treinschakeling genoemd en is van belang bij de bediening van meerdere tractie-installaties vanuit één cabine, zoals bij het Blokkendoosmaterieel. De stuurstroom wordt verkregen van de motorgenerator en wordt met de door de bestuurder bediende hoofdschakelwals via verschillende contacten naar de stuurstroomverbinding tussen de rijtuigen geleid. De rijkruk voor de bediening van de hoofdschakeIwals werkte bij Mat '24 tevens als dodemaninstallatie (voor éénmansbediening). De bestuurder (ook Mat '24 kende bestuurders en geen machinisten) moest de rijkruk tijdens de rit steeds neergedrukt houden. Bij het loslaten van de rijkruk werd de stuurstroom verbroken en de luchtdrukrem in werking gesteld. In een noodsituatie hoefde de bestuurder de rij kruk alleen maar los te laten. De rij kruk was, zoals later bij de treinstellen tot en met Plan V steeds is toegepast, gekoppeld aan een voetpedaal, waarmee de bestuurder ook de dodeman ingedrukt kan houden en op die manier zijn handen vrij heeft. De rijkruk en daarmee de hoofdschakelwals, kende bij de Westinghouse-installatie vijf rijstanden en bij de Vickers-installatie vier. Dat hield verband met de serie-zwakveldschakeling die bij de Vickers-installatie ontbrak. De schakeling van de tractie stroom door de motoren bij de verschillende rijstanden geschiedde als volgt:

 

R = Rangeerstand

de rijschakelaars worden ingeschakeld met vier motoren in serie. Het begrenzingsrelais is kortgesloten en alle weerstanden blijven voorgeschakeld.

 

S = Seriestand

het seriebegrenzingsrelais (295 A) is

ingeschakeld en de rijweerstand wordt in zeven trappen automatisch kortgesloten.

 

SZ = Serie-zwakveldschakeling

(ontbreekt bij Vickers-installatie) na kortsluiting van alle weerstandtrappen wordt het veld van de motoren verzwakt door ca. 40% van de veldwikkelingen kort te sluiten. Als gevolg daarvan zal er een grotere stroom door de motoren vloeien.

 

P = Parallelstand

na een overgangsschakeling, nodig om zonder onderbreking van de stroom te kunnen doorschakelen, worden de motoren in twee groepen van twee parallel geschakeld. Een gedeelte van de weerstandtrappen wordt tegelijkertijd weer voorgeschakeld en door tussenkomst van het parallelbegrenzingsrelais (480 A) automatisch trapsgewijs kortgesloten. De Vickers-installatie gebruikt in de parallelstand vier weerstandtrappen en de Heemaf-installatie vijf.

 

PZ = Parallel-zwakveldstand

nadat alle weerstanden zijn kortgesloten vindt in deze stand nog 40% veldverzwakking plaats (zie bij SZ).

 

In de standen R, S en P van deze installatie speelt het in de hoofdstroomketen opgenomen begrenzingsrelais een belangrijke rol. Dit relais meet de stroom door de tractieketen en maakt contact als die stroom beneden een ingestelde waarde is gedaald. Via het gemaakte contact vloeit de stuurstroom naar de spoelen van de volgordewals, die daarop steeds een stand verder draait en als gevolg daarvan een deel weerstand kortsluit of een andere schakeling doet plaatsvinden. Het begrenzingsrelais is in de eerste rijstand ("R") kortgesloten. De volgordewals krijgt dan niet de kans om verder te draaien en alle weerstandtrappen blijven voorgeschakeld. De periode dat in de rangeerstand wordt gereden moet zo kort mogelijk worden gehouden daar anders de kans bestaat dat de rijweerstanden door overmatige opwarming verbranden. De motoren van Mat '24 werden geschakeld door krachtige elektropneumatische schakelaars, voorzien van blaas spoelen en vonkschotten om de schadelijke effecten van vonkvorming op de contacten te minimaliseren. Bij de Vickers-installatie zonder volgordewals werd via het begrenzingsrelais steeds een magneetspoel van een volgende rij schakelaar ingeschakeld. Dat was mogelijk door toepassing van extra hulpcontacten op de rijschakelaars die het begrenzingsrelais toeliet de volgende rij schakelaar te bekrachtigen. De eenvoudige en storingsvrije werking van de Vickers-schakeling (patent berust bij de General Electric Company) deed de NS besluiten om dit systeem als basis te gebruiken voor een standaard tractieregeling voor het stroomlijnmaterieel '46 en '54. Pas bij Plan T werd weer een volgordewals toegepast, maar van een heel andere constructie, die 360 graden kan draaien. De volgordewals van de Westinghouseinstallatie moest, om een lagere rijstand te bereiken, steeds terugdraaien in de beginstand. Dat hield in dat deze wals veel moest schakelen. Als mechanisch apparaat diende het ook gesmeerd te worden. Door overtollige smering raakten de walscontacten regelmatig vervuild en brandden in. Een rit moest dan wel eens worden onderbroken om de koperen walscontacten met een poetslap, die de bestuurder altijd bij zich had, schoon te poetsen. Betrof het de wals in de bediende cabine dan kon dit karwei met behulp van de Hc tijdens de rit worden geklaard. In het andere geval zat er voor de bestuurder niets anders op dan zich met de poetslap naar een andere cabine te begeven. Waren Blokkendoosrijtuigen met verschillende installaties samengevoegd, dan werd de stand "SZ" niet gebruikt. Voor het overige konden beide installaties

Motorrijtuig 2e klas met bagageafdeling, mBD 9004 door elkaar worden gebruikt, omdat iedere installatie met eigen begrenzingsrelais en dus autonoom werkte. Overigens kon ook de Vickers-installatie niet in een lagere rijstand worden geschakeld zonder eerst naar de nulstand terug te schakelen om alle relais te laten afvallen. De stuurstroom werd bij Mat '24 verkregen van de motorgenerator. Deze was aan de motorzijde aan de 1500 V -bovenleidingspanning aangesloten. Aan de generatorzijde leverde de motorgenerator 24 V gelijkstroom. Bij lange Blokkendooscombinaties kon de stuurstroom tot 34 V worden verhoogd, om spanningsverlies door de lengte van de stuurstroomkabel te compenseren. De installatie was ruim genoeg bemeten om zo'n hogere spanning te kunnen verwerken. De 1500 V werd per motorrijtuig afzonderlijk uit de bovenleiding betrokken.

 

top  

Verwarming en verlichting

 

Voor de verwarming beschikte ieder rijtuig over een doorgaande 1500 V hoogspanningsleiding. Hierop waren twee parallel geschakelde groepen van 17 verwarmingselementen aangesloten, die in totaal 15 kW verbruikten. Tot 1936 waren er twee typen verwarmingselementen: ronde en rechthoekige. De laatste waren opgesloten in een geperforeerde stalen kast, terwijl bij de eerste een kast ontbrak. Na 1936 werd bij vervanging alleen nog het rechthoekige type toegepast. De temperatuurregeling geschiedde middels een thermostaat. Het gehele verwarmingssysteem was beveiligd en kon pas worden ingeschakeld als de koppeldozen aan de voor- en achterzijde van de trein gesloten waren. Zodoende kon men vanaf de grond nooit in aanraking komen met de bovenleidingspanning.

Zoals gewoonlijk bij rijtuigen toegepast, werd de energie voor de verlichting betrokken van een aan de wielassen gekoppelde dynamo. Deze dynamo verzorgde tevens de lading van de accubatterij die de verlichting deed branden bij stilstand van het rijtuig. Een in een toilet aangebracht regeltoestel zorgde voor de juiste samenwerking tussen de dynamo en de batterij, en een constante batterijlading bij verschillende toerentallen van de dynamo. De opgewekte spanning was 24 V, wat tevens de werkspanning van de gloeilampen was. In de eerste en tweede klas werden lampen van 40 Watt toegepast, wat een verbetering was ten opzichte van de in het begin toegepaste 25 Watt lampen. De reizigers in de derde klas moesten het in de jaren twintig nog doen met lampen van 20 Watt, die na het vrijkomen van de lampen uit de tweede en eerste klas door exemplaren van 25 Watt werden vervangen. Bij de motorrijtuigen werd de 24 V-verlichtingsstroom betrokken van de motorgenerator, die tevens in de batterijlading voorzag. Ook de front- en sluitseinen waren op dit net aangesloten. In 1952 werden bij wijze van proef bij de Bec 8560 de gloeilampen vervangen door TL-verlichting. Dit was een belangrijke verbetering, die echter niet bij de overige Blokkendozen werd doorgevoerd. Gloeilampverlichting was toegepast in al het materieel en het zou te veel hebben gekost om alle ornamenten door TL-verlichting te vervangen. Mat '46 heeft deze verbouwing nog wel meegemaakt, nadat met Mat '54, waarmee Mat '46 vaak gekoppeld reed, de TL-verlichting definitief was ingevoerd.

 

top